Nieuwsbrief mei 2009 / pagina 2
Geloften in het boeddhisme
In de vorige nieuwsbrief heeft u iets kunnen lezen over het leven van
Lopön Tashi Sangpo Amipa, monnik en neef van Lama Sherab. Toen
was nog niet bekend dat Tashi Sangpo in 2008 bij Zijne Heiligheid de
Dalai Lama de geloften tot bhiksu heeft afgelegd. In dat jaar bereikte
Tashi Sangpo tevens de meestergraad (Lopön) door zijn studie aan het
Sakya College te India af te ronden. In het boeddhisme kennen we drie
soorten van geloften. Al deze geloften worden voor het leven genomen.
De pratimokshageloften
De geloften van ‘individuele bevrijding’ kunnen zowel door leken als door monniken en nonnen worden genomen. Ze worden ook upasaka (leken) geloften genoemd, wat betekent ‘dicht bij de deugd staand’. Hierin onderscheidt men drie stadia. Het eerste stadium is het nemen van toevlucht tot de drie juwelen. Tijdens het nemen van toevlucht is het mogelijk bij de (eigen) guru een tot vijf nevengeloften in deugdzaamheid af te leggen, de pratimokshageloften (prati: individueel, moksha: bevrijding). Deze geloften behelzen het afzien van doden, stelen, seksueel wangedrag, liegen en innemen van toxische stoffen. Het accent ligt op ethisch gedrag en spraak.
In het tweede stadium legt men voor een deel geloften voor monniken of nonnen af. Deze shramanera (man) of shramenerika (vrouw) mag een pij dragen en kan wereldlijke taken blijven vervullen. Shramanera betekent letterlijk ‘de persoon in wiens ogen tranen staan’. Het betreft hier tien geloften, die weer onderverdeeld zijn in 36 regels. Het resultaat van het houden van deze geloften is het bereiken van persoonlijke bevrijding door onthechting van alles dat innerlijk en uiterlijk aan samsara bindt. Uiterlijke kenmerken zijn bv. gedrag, kleding en haardracht. Een innerlijk kenmerk is geestelijke discipline in onthechting en ethiek.
Het derde stadium is dat van bhiksu (monnik) of bhiksuni (non). Zij leven voornamelijk in kloosters. Deze geloften omvatten 253 ethische gedragsregels voor monniken en 364 voor nonnen. Dge slong is Tibetaans voor bhiksu. Dit betekent deugdzaam persoon, die om
aalmoezen (slong) vraagt en die de deugd (dge) van volmaakte vreugde zoekt. Hiermee wordt de essentie van deze geloften duidelijk: het bereiken van de individuele verlichting door onthechting en het ontwikkelen van deugdzame kwaliteiten.
De bodhisattvageloften
Dit zijn de geloften van de ‘ontwakende verlichtingsgeest’, het alomvattend mededogen voor alle voelende wezens. Aan deze geloften gaat altijd het nemen van toevlucht vooraf.
Men stelt zich tot doel om bevrijding te bereiken om daarna alle wezens te helpen in het vinden van geluk (bevrijding).
De tantrische geloften
Deze geloften zijn de hogere geloften van ‘het houden van het oorspronkelijk bewustzijn’. Degene die deze geloften aflegt, ontwikkelt en verblijft in de alles doordringende oorspronkelijke geest en belichaamt de spontane kwaliteiten van de boeddhanatuur. Tantrische geloften worden door de discipel genomen gedurende grote initiaties. Voorbeelden hiervan zijn de Hevajra, Kalachakra en Vajrayogini initiatie. Zij behoren tot de Anuttarayogatantra, de vierde en hoogste tantrische klasse. Men hoeft hiervoor niet per se monnik of non te zijn.
Uiteindelijk zijn alle geloften in essentie een vorm van bescherming van de eigen geest en een vaardig middel om de boeddhanatuur te ontwikkelen ten dienste van alle voelende wezens in samsara.